 |
Het gezag om te dopen
Toen Joseph Smith het Boek van Mormon vertaalde las hij met zijn vriend Oliver Cowdery de leringen van Jezus Christus aangaande de doop door onderdompeling ter vergeving van zonden (Boek van Mormon, 3 Nephi 11:21–27). Op 15 mei 1829 baden Joseph en Oliver om leiding inzake de kwestie van de doop. Hun gebed werd beantwoord door een hemelse boodschapper. De herrezen Johannes de Doper verscheen aan hen en verleende hun het priesterschap van Aäron, of het Aäronische priesterschap, wat het gezag is om het evangelie van bekering te verkondigen en te dopen. Joseph en Oliver doopten vervolgens elkaar in de nabijgelegen rivier, de Susquehanna. Met deze gebeurtenis begon de herstelling van het priesterschap, dat sinds de afval niet meer op aarde voorhanden was.
|
|
|