De kerk van Christus
Tijdens zijn aardse leven stichtte Christus zijn kerk. Hij koos twaalf apostelen om er leiding aan te geven. Na zijn opstanding gebood Hij hen om de hele wereld in te gaan, zijn evangelie te verkondigen en de mensen te dopen (Matteüs 28:19–20).
Christus gaf de apostelen het gezag om in zijn naam te handelen en de werken te doen die zij Hem hadden zien doen. Anderen kregen gezag van de apostelen. Zij waren bovendien in staat om te onderwijzen, te dopen en andere verordeningen te verrichten in de naam van Christus. De twaalf apostelen ondernamen veel reizen en verkondigden alom het evangelie, vestigden kerkgemeenten en verrichtten veel wonderbare werken. Zij waren het fundament van Christus’ kerk. Na zijn dood leidde de Heiland zijn kerk via de apostelen door voortdurende openbaring (Handelingen 1:2).
|