De organisatie van de kerk van Christus
Jezus Christus organiseerde tijdens zijn leven op aarde zijn kerk. Die kerk was 'gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is' (Efeziërs 2:20). Naast de twaalf apostelen stelde Christus ook nog andere leiders aan om de apostelen behulpzaam te zijn in het werk van zijn kerk. Die leiders waren onder meer: - Zeventigen (zendelingen).
- Evangelisten (patriarchen).
- Herders (presiderende leiders).
- Ouderlingen.
- Bisschoppen.
- Priesters.
- Leraars.
- Diakenen.
Die functionarissen kregen het gezag (of priesterschap) dat nodig was om het werk in Christus' kerk te doen. Ze deden zendingswerk, verrichtten verordeningen zoals de doop, presideerden kerkelijke gemeentes, gaven onderwijs, inspireerden de kerkleden, en hielpen hen om één te zijn in hun geloof. Zolang zij die het priesterschap droegen nog in leven waren, groeide en bloeide de kerk. De leden van de vroegchristelijke kerk noemden zichzelf heiligen (Romeinen 15:25; 1 Korintiërs 1:2).
|