Vraag:
Is er een precedent voor het plaatsvervangende werk voor de doden?
Antwoord:
Het principe van plaatsvervangend werk zou geen enkele christen vreemd moeten voorkomen. Het leerstuk dat centraal staat in ons geloof is dat Christus met zijn offer verzoening brengt voor onze zonden, door plaatsvervangend aan Gods eisen voor gerechtigheid te voldoen. Ons werk voor de doden zegt iets over zijn goddelijke karakter en zending. Allereerst getuigt het van de herrijzenis van Christus; ten tweede van de oneindige strekking van zijn verzoening; ten derde dat Hij de enige Bron van heil is; ten vierde dat Hij de grondslag voor het heil heeft gelegd; en ten vijfde dat Hij weder zal komen. Zij die al zijn heengegaan, leven dankzij Jezus Christus. Hij heeft gezegd: 'Ik ben de opstanding en het leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven.' Het is ondenkbaar dat die uitspraak uitsluitend zou gelden voor hen die de kans hebben gekregen om in dit leven van zijn evangelie te horen. Of dat het zou worden ingetrokken voor hen die het niet gehoord hadden vóór hun dood. Sommige mensen hebben het verkeerd begrepen en menen dat er overledenen in het mormoonse geloof gedoopt worden zonder dat zij daar wat van afweten. Of dat mensen die eens tot een ander geloof hebben behoord, met terugwerkende kracht het mormoonse geloof krijgen opgelegd. Zij nemen aan dat wij de macht hebben om iemand in geloofszaken te dwingen. Maar vanzelfsprekend hebben wij die macht niet. God heeft de mens in het begin keuzevrijheid gegeven, en die behoudt ieder na zijn dood. Want daartoe is ook aan doden het evangelie gebracht, opdat zij wél, naar de mens, wat het vlees aangaat, zouden geoordeeld worden, doch, naar God, wat de geest betreft, zouden leven. (1Pet.4:6) Citaten (niet in volgorde) van D. Todd Christensen, algemene oktoberconferentie 2000, zaterdagmorgenbijeenkomst . Liahona, januari 2001, blz. 6 |